'Zelfs de was uithangen lukte me niet meer' - Diagnose Depressie
1275
post-template-default,single,single-post,postid-1275,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode_grid_1300,qode_popup_menu_push_text_right,footer_responsive_adv,hide_top_bar_on_mobile_header,qode-content-sidebar-responsive,columns-4,qode-theme-ver-10.1,wpb-js-composer js-comp-ver-5.0.1,vc_responsive
Emma Darvick

‘Zelfs de was uithangen lukte me niet meer’

Op haar 38ste gleed Bregtje (40) in een zware depressie. Die was zo ernstig, dat ze moest worden opgenomen in een kliniek. Twee jaar later blikt ze terug op die heftige periode.

 

Dit verhaal is gepubliceerd  in tijdschrift Santé, november 2017.
Door Bregtje 

Afgelopen maart nam ik, na een hersteltraject van ruim anderhalf jaar, afscheid van psychiater D.. Ik was hersteld van mijn depressie, onze therapeutische gesprekken zaten erop. Ook vanwege de zorgverzekeraar. Maar het was goed zo, ik was al maanden klachtenvrij en deed alles weer op eigen kracht. Na het afrondende gesprek gaf ze me een steen die ze tijdens een wandeling had gevonden. Een koele, groen-rode ovale kiezel, aan één kant glad en gepolijst, ruw en grillig aan de andere kant. ‘Net als het leven, dat kent ook zijn ups en downs. Maar beide kanten horen bij dezelfde steen. Houd dat voor ogen,’ zei ze.

Kliniek? Dat nooit!
Ik dacht aan de dag dat ik haar ontmoette, in 2015. God wat was ik toen ziek. Ik had, al wilde ik dat toen zelf nog niet erkennen, een ernstige depressie. Zo ernstig, dat ik tot niets meer in staat was. Werken, koken, voor mijn vijfjarige zoon zorgen, het huishouden runnen – de gewone, dagelijkse dingen die ik normaal fluitend deed waren me te veel. Zelfs de was ophangen lukte me niet meer. Hoe hard ik ook mijn best deed, ik functioneerde niet en lag alleen nog maar in bed in een pyjama die ik dag en nacht aanhield. Mijn moeder en stiefvader, die zagen dat het echt niet goed ging en zich flinke zorgen maakten, vroegen of ik een tijdje bij hen wilde komen logeren tot het weer beter met me zou gaan. Aanvankelijk wilde ik dat niet, maar toen ik besefte dat ik echt niet meer in staat was om dingen te bolwerken, ging ik met mijn zoontje naar mijn ouders.
Ik ging die ochtend met mijn moeder naar de afspraak bij psychiater D. Ik liep al maanden in de hulpverlening en zijn was de derde psychiater die ik zag. Tijdens dat eerste gesprek wond ze er geen doekjes om: gezien de aard, ernst en duur van mijn klachten (ik lag al wekenlang op bed en daar was een latente doodswens bijgekomen) leek het haar het beste als ik me direct op liet nemen in de inpandige GGZ-kliniek. Dan kon ik intern worden behandeld en zou het snel beter gaan. Maar opgenomen worden in een psychiatrische kliniek, dat was mijn grootste angst. Depressies zitten in mijn vaders familie, en ik had net nog mijn grootmoeder opgezocht toen zij opgenomen was in een kliniek om elektroshocktherapie te ondergaan, vreselijk. Dus ik naar een kliniek? Dat nooit.’

Uitzichtloos
Achteraf zie ik wel in hoe ziek ik was, maar op dat moment kon ik niet het accepteren. Ondertussen had die depressie me wel compleet lam gelegd. Het niet makkelijk om uit te leggen wat een depressie met je doet. Het is alsof de stoppen in je hoofd zijn doorgeslagen. Je denkt alleen maar negatief en vindt jezelf mislukt en niks waard. Je ziet dingen niet meer in perspectief en belandt zo in een neerwaartse spiraal waar je op een gegeven moment niet meer uitkomt. Op de bodem van de put is alles zwart en uitzichtloos en wil je ophouden te bestaan. Als je een depressie hebt, is het geen kwestie van jezelf even een schop onder je spreekwoordelijke achterste geven of je ‘eruit denken met positieve gedachten’. Dat lukt je niet. Was het maar zo simpel, dan deed je het.
Uiteindelijk werd de situatie bij mijn moeder en stiefvader onhoudbaar, hoe zij ook probeerden mij er bovenop te helpen, ik kon en wilde niets meer. Door de depressie wilde ik alleen nog maar dood. Vooral voor mijn moeder was het zwaar. Het moet voor haar verschrikkelijk geweest zijn om mij zo te zien. Ik wilde niet naar de kliniek, maar ik moest.

Boos en obstinaat
Dat ik werd gedwongen, maakte me boos en obstinaat ik wilde niet meewerken aan het dagprogramma. Dat programma omvatte medicatie en daarnaast vooral activatie: met een depressie is het namelijk al een enorme opgave om überhaupt je bed uit te komen. Zelfs je tandenpoetsen is al teveel, laat staan een normaal dagritme aanhouden. Ook beweging, creatieve therapie en gesprekken met artsen en persoonlijk begeleiders hoorden erbij. Het was een verschrikkelijke periode. Omdat ik op een gesloten afdeling zat, mocht ik alleen onder begeleiding naar buiten. Het voelde alsof ik gevangen zat en werd gestraft, alsof ik een misdadiger was. Maar langzaam begon ik wel te beseffen dat ik ziek was. Dat er toch even tijdelijk wat dingen niet goed zaten. En toen, na vier maanden, begon het langzaam op te klaren in mijn hoofd. Het was alsof ik ontwaakte uit een boze droom. Maar ik was er nog niet: ik moest het vertrouwen van de artsen terug winnen en laten zien dat ik beter wilde worden en in staat was om mijn leven weer op te pakken.

Schaamte
Toen ik na ontslag uit de kliniek weer thuis kwam, begon pas mijn eigenlijke herstel. Want in de kliniek is de behandeling er vooral op gericht om mensen die in een psychische crisissituatie verkeren te stabiliseren. Meestal met behulp van medicatie. Maar na de opname moet je zelf je leven weer op orde zien te krijgen. Ik had het geluk dat mijn stiefvader al mijn financiën en administratie had waargenomen, een uitkering had aangevraagd en mijn huur had doorbetaald. Ik had dus mijn woning nog, en zat ook niet zonder inkomsten toen ik terugkwam uit de kliniek. Ik was blij om weer thuis te zijn en zette mijn schouders eronder. Ik poetste mijn huis, dat onder een halfjaar stof lag en ruimde het op. Ik zorgde weer voor mijn zoontje. Dat had ik al die tijd over moeten laten aan mijn moeder en stiefvader en mijn ex. Je wilt niet weten hoe blij ik was om weer normaal op het schoolplein te kunnen staan, tussen de andere moeders.
Ik herstelde het contact met vriendinnen, die ik uit schaamte niets over mijn opname had verteld en maandenlang op een afstand had gehouden. In de kliniek had ik zoveel verschillende mensen voorbij zien komen – man, vrouw, jong, oud, hoog- en laaggeschoold – dat ik tot de conclusie kwam dat er eigenlijk niets was om me over te schamen. Psychische problemen kunnen ons allemaal overkomen. Daarom besloot ik open te zijn over mijn depressie, zowel tegen mijn vrienden als mijn werkgevers. En iedereen reageerde begripvol.

Binnenstebuiten
‘Ik bleef voorlopig onder behandeling bij een psychiater. Ook omdat ik medicatie gebruikte. Psychiator D. die me bij onze eerste ontmoeting duidelijk te kennen had ggeven hoe zij mijn situatie zag, monitorde mijn medicijngebruik. Ook hadden we wekelijkse gesprekken. We waren het niet altijd eens. Zo raadde ze me af om de medicatie snel af te bouwen. Ik heb nooit antidepressiva willen slikken, maar voelde me daartoe onder druk gezet door de artsen en mijn omgeving. En tijdens die opname dacht ik dat het verplicht was. Ik wilde dus zo snel mogelijk van de medicijnen af en zette dat door – in weerwil van mijn arts, die het risico te groot vond. En zo waren er meer dingen waarover we van mening verschilden. Desondanks hielpen de gesprekken me om me binnenstebuiten te keren. Want dat heb ik gedaan: onderzoeken waardoor en waarom ik in een depressie ben geraakt. Welke triggers, gedachten en emoties eraan ten grondslag hebben gelegen, en wat ik zelf kan veranderen om te voorkomen dat ik ooit weer in zo’n situatie beland. Zo kwam ik erachter dat ik jarenlang over mijn grenzen heen ben gegaan, omdat ik niet goed wist wie ik was en wat ik wilde of omdat ik vond dat ‘het zo hoorde’. Als je dat maar lang genoeg doet, raak je jezelf kwijt. Zelf denk ik dat dat mijn depressie heeft veroorzaakt, in combinatie met stressvolle gebeurtenissen (een verhuizing, moeder worden, een verbroken relatie) in korte tijd. Daarom probeer ik nu beter mijn grenzen te bewaken. Door nee te zeggen of de lat niet zo hoog te leggen. Hoe gek het ook klinkt, op een bepaalde manier ben ik mijn depressie dankbaar. Ik weet beter wie ik ben, wat ik wil en wat mijn grenzen zijn en durf daarvoor te staan. Ik moest eerst door mijn eigen duisternis om daarna het licht weer te ervaren. Zoals schrijver Maya Angelou het verwoordt: ‘We delight in the beauty of the butterlfy, but rarely admit the changes it has gone through to achieve that beauty’.