'Maandenlang kon ik geen moeder zijn' - Diagnose Depressie
1282
post-template-default,single,single-post,postid-1282,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode_grid_1300,qode_popup_menu_push_text_right,footer_responsive_adv,hide_top_bar_on_mobile_header,qode-content-sidebar-responsive,columns-4,qode-theme-ver-10.1,wpb-js-composer js-comp-ver-5.0.1,vc_responsive
Brandon Wong

‘Maandenlang kon ik geen moeder zijn’

 

Dit verhaal is gepubliceerd in tijdschrift Fabulous Mama, december 2017
Door Bregtje 

 

‘Mama, word jij weer ziek? En moet je dan ook weer naar het ziekenhuis?’, vroeg mijn achtjarige zoon me laatst out of the blue. Hij zat op de bank zijn broodje te eten, we zouden zo naar school gaan. ‘En krijg ik later hetzelfde als jij?’ Even wist ik niet wat te antwoorden. Anderhalf jaar geleden was ik thuisgekomen uit de psychiatrische kliniek. Daar had ik vier maanden opgenomen gezeten vanwege een ernstige depressie Acht maanden lang was ik niet in staat geweest om zelf voor mijn kind te zorgen. Dat had ik aan anderen – opa en oma, mijn ex – moeten overlaten.
Maar op het moment van zijn vraag had ik de draad van mijn leven weer opgepikt. Ik volgde een intensief hersteltraject en was al maanden medicatie- en klachtenvrij. Ik zorgde voor mezelf en mijn kind op de dagen dat hij bij mij was en hield mijn huishouden draaiende. Ik was weer aan het werk, had een druk en gezellig sociaal leven en we ondernamen leuke uitjes. Alles was weer als vanouds.

Die plotselinge vraag van mijn zoontje overviel me, en kon ik niet goed plaatsen. Er was geen directe aanleiding. Ik dacht na over wat te zeggen, en besloot maar gewoon eerlijk te zijn. ‘Dat weet ik niet, A. Het zou kunnen dat ik nog een keer ziek word. Het kan terugkomen. Maar ik denk niet dat ik ooit weer naar het ziekenhuis zal moeten. Ik hoop van niet, want at was niet leuk voor mij en ook niet voor jou, dus dat wil ik nooit meer. Je weet dat depressie, want zo heet het wat mama heeft gehad, in onze familie zit. Mama heeft het, opa ook, en er zijn meer familieleden die dit hebben. Het zou dus kunnen dat jij het later ook krijgt, maar dat hoeft helemaal niet zo te zijn. Maar als je het toch krijgt, hoef je niet bang te zijn. Weet je waarom? Omdat mama er dan is om voor je te zorgen. En omdat ik het ook heb gehad, begrijp ik het en weet ik wat ik moet doen.’ Hij knikte en at verder van zijn broodje.
Nadat ik hem naar school had gebracht, moest ik even gaan zitten. Het gesprek had me geraakt. Natuurlijk weet ik dat mijn depressie ook – of misschien wel juist – op mijn kind enorm veel impact heeft gehad. Zijn vraag, zo terloops gesteld, had me een glimp gegeven van zijn belevingswereld en me doen beseffen dat ik als moeder soms compleet geen weet heb van wat er in dat kleine koppie van hem allemaal omgaat. Ineens werd ik met mijn neus op de feiten gedrukt: ondanks dat ons leven toch alleszins normaal verliep, maakte mijn zoon zich zorgen om de vraag of ik, of misschien hijzelf, ooit een depressie zou krijgen.

Mijn zoontje was vijf, bijna zes toen ik afgleed in een diepe depressie. Dat gebeurde niet van de ene op de andere dag, maar ging heel geleidelijk. Ik voelde me al een tijdlang ellendig. Dat ging maar niet over. Daarbij begonnen alledaagse dingen me ineens veel moeite te kosten: boodschappen doen en koken stonden me tegen, ik deed er drie dagen over om een vloer te dweilen. Alles was me teveel en ik zag overal tegenop. Het liefst lag ik in bed. Ik belandde op het punt dat ik zelfs mijn armen amper nog omhoog kon krijgen om een was op te hangen. Ik begreep niet wat er met me aan de hand was.
Het moment dat ik me realiseerde dat er iets goed mis met me moest zijn, was toen ik op een ochtend niet meer kon opstaan. Mijn zoontje was zelf uit bed gekomen, liep op blote voeten in zijn pyjamaatje mijn slaapkamer binnen en zei tegen me: ‘Mama, waarom blijf je nou in bed liggen? Kom eruit en kleed je aan, ik moet toch naar school?!’
Ik kon mezelf er niet toe zetten uit bed te komen. Normaal kan ik veel op pure wilskracht, maar nu was ik nergens. Mijn lichaam en geest weigerden gewoonweg. Huilend belde ik mijn moeder. Ze bracht mijn zoontje naar school, waarna we afspraken dat ik voorlopig even met hem bij haar en mijn stiefvader zou logeren, tot het beter zou gaan.

Maar het ging niet beter. Ik zakte zo mogelijk nog dieper weg in die depressie, en wilde mijn bed helemaal niet meer uit. Ik wilde zelfs niet meer leven.
Het is nog niet zo eenvoudig om uit te leggen wat een depressie met je doet. Het is alsof de stoppen in je hoofd zijn doorgeslagen en kortsluiting hebben gemaakt. Je denk alleen maar negatief, vindt het leven volslagen leeg en zinloos en jezelf compleet mislukt en niks waard. Je ziet dingen niet meer in perspectief en belandt in een negatieve gedachtespiraal. Je denkt dat het nooit meer goed komt.
Ik kreeg rare, beangstigende gedachten. Dat ik een waardeloze moeder was, die haar kind totaal niets te bieden had. Dat mijn zoon in armoede en voor galg en rad zou opgroeien bij mij, en totaal zou mislukken. Dat het daarom misschien maar beter voor hem zou zijn als hij geadopteerd zou worden, op zou opgroeien in een pleeggezin. Op mijn zestiende had ik mijn lievelingsoom, die ook een depressie had, woorden van vergelijkbare strekking tegen mijn tante horen zeggen over mijn toen zesjarige nichtje. Ik weet nog dat ik niet kon begrijpen dat hij zoiets afschuwelijks kon zeggen. En nu gingen dezelfde gedachten door mijn eigen hoofd. En erger.
Uiteindelijk werd de situatie bij mijn moeder en stiefvader thuis onhoudbaar. Ik lag alleen nog maar op bed met een latente doodswens – ik heb gelukkig nooit daadwerkelijk een suïcidepoging gedaan – en was tot niets te bewegen. Ik was te ziek. Ik noem het voor het gemak even ‘ziek’, maar eigenlijk denk ik dat een depressie een beschermingsmechanisme van het lichaam is. Het uiterste redmiddel, een noodsignaal om je duidelijk te maken dat de manier waarop je tot nu toe met jezelf bent omgegaan, in het leven staat en de dingen hebt aangepakt jou geen goed doen. En dat het anders moet.

Ondanks dat ik het niet wilde, kwam het toch tot een opname in een psychiatrische kliniek. Op een gesloten afdeling, waar ik 24/7 moest blijven en niet zomaar naar buiten kon. Ik mocht er niet weg, en mijn vijfjarige zoontje mocht de afdeling niet op: kinderen onder de tien jaar waren er niet toegestaan, ze zouden kunnen schrikken van de toestand van de mensen daar.
In de maanden dat ik in de kliniek zat, kwam mijn moeder een paar keer per week na schooltijd met mijn zoontje langs. Dan mocht ik onder haar begeleiding even van de afdeling af en zaten we in de kantine. Later kreeg ik van de artsen toestemming om een middag of hele dag met haar mee naar huis te gaan om hem daar te kunnen zien. Niet dat ik op die momenten ook maar enig oog of aandacht voor hem had. Ik was zo verdwaald in mijn eigen negatieve gedachtekronkels dat er geen ruimte was voor wat dan ook. Zelfs niet voor mijn kind. Het is pijnlijk om te zeggen, maar zelfs mijn zoon kon me niet meer interesseren. Het moet voor mijn moeder hartverscheurend zijn geweest om dat te moeten aanzien.
In de kliniek was het vier maanden lang aanmodderen. Met medicatie, een dagprogramma en activiteiten om een normaal dagritme aan te houden, beweging, creatieve therapie en veel gesprekken met artsen en persoonlijk begeleiders. ‘Kom eruit, word beter. Voor je kind. Je hebt zo’n mooie zoon, denk aan hem, drukten ze me keer op keer op het hart. Aanvankelijk was het aan dovemansoren gericht. De wil om te leven ontbrak me totaal, ik zag geen toekomst meer. Alleen een zwart gat.

Ik ben eruit gekomen. Na verloop van tijd begon het op te klaren in mijn hoofd Of het door de medicatie kwam, of dat mijn lichaam het zelf opruimde, weet ik niet. Er is een theorie die stelt dat het lichaam na 6 tot 8 maanden zelf een balans gaat zoeken. Precies in die periode begon het beter te gaan. Ik kwam weer uit bed, was in staat een dagritme aan te houden, dingen te ondernemen. Met enkele weken mocht ik… naar huis. De eerste nacht dat ik met mijn zoon weer thuis sliep, was een klein wonder. Een opluchting ook. Ik kon weer een moeder zijn. Een moeder die voor haar kind zorgt. Die voor hem kookt, samen met hem eet en hem met een verhaaltje voor het slapengaan naar bed brengt. Ik huilde van blijdschap en dankbaarheid toen ik voor het eerst weer op het schoolplein tussen de andere moeders stond. Dat had ik maanden niet gekund.

Thuis begon mijn eigenlijke herstel. Na zo’n opname moet je je leven weer op orde zien te krijgen. Een diepe depressie en een gedwongen psychiatrische opname zijn heftig en ook heel ontwrichtend. Zoiets laat zijn sporen na. Ook al gaat het, na intensieve therapie om te achterhalen hoe mijn depressie is ontstaan en het maken van een preventieplan om een eventuele terugval te voorkomen, nu goed, in de aftermath zijn er regelmatig momenten dat ik er keihard mee geconfronteerd wordt. Wanneer mijn zoon ineens zo’n vraag stelt. Wanneer ik mijn dikke winterjas na de eerste zomer thuis uit de kast haal en in de zak de opgevouwen tekening vind, die hij aan me gaf toen hij me met oma in de kliniek kwam bezoeken.
Depressies komen voor in mijn familie. Al zeker vier generaties,. Ik moet er rekening mee houden dat ik waarschijnlijk erfelijk belast ben. Of dat er op zijn minst een kwetsbaarheid is. Net zoals hartklachten bij ons voorkomen. Zelf werd ik voor het eerst met depressie geconfronteerd toen ik zestien was en de oudste broer van mijn vader een eind aan zijn leven maakte. Op mijn achtendertigste had ik  zelf ook een depressie. Het is beklemmend te bedenken dat de geschiedenis zich een generatie later met mij had kunnen herhalen. Mijn nichtje verloor haar vader op haar achtste. Als ik gehandeld had op de door mijn depressie ingegeven wens om niet meer te leven, was mijn zoontje nu mijn nichtje….
Het is niet fijn om je dat te realiseren. Ook niet om stil te staan bij de mogelijkheid dat de depressie terug kan komen, en dat het niet ondenkbaar is at mijn zoon op een zeker moment eveneens een depressie zou kunnen krijgen. Dat wil en móét ik voorkomen. Ik wil dat het stopt. Bij mij.

 

Kind van ouder met psychiatrische problemen
Psychische of psychiatrische problemen van ouders kunnen voor ingrijpende gebeurtenissen, spanningen en stress zorgen binnen een gezin, en dat kan een stempel drukken op de ontwikkeling van een opgroeiend kind dat hiermee te maken krijgt. Hoewel ouders vaak denken dat kinderen weinig merken van hun problemen, is het tegendeel waar. KOPP-kinderen (Kinderen van Ouders met Psychiatrische Problemen) krijgen vaak al jong te maken met volwassenen bijvoorbeeld hun eigen issues, waardoor gezond opgroeien soms extra moeilijk is. Kinderen schakelen bijvoorbeeld hun eigen behoeftes uit om te kunnen ‘zorgen’ voor hun ouders. Volwassenen die opgroeiden als KOPP-kind hebben vaak een eigen, specifieke problematiek.

Psychische problemen
Eén op de vier mensen krijgt ooit te maken met psychische klachten. Depressie is daarvan de meest voorkomende. Jaarlijks krijgt naar schatting één op de twintig mensen een depressie, doorgaans meer vrouwen dan mannen. Wanneer iemand gedurende ten minste twee weken of langer ongewone somberheid ervaart en/of nergens meer plezier en interesse in heeft, spreken we van een depressie. Een depressie kan gepaard gaan met verminderde (of juist vermeerderde) eetlust en veranderingen in lichaamsgewicht, slapeloosheid, gebrek aan energie, (over)vermoeidheid, spanningen, angsten, concentratieproblemen, besluiteloosheid, geestelijke en/of lichamelijke onrust en gedachten aan de dood en/of zelfdoding. Deze gedachten belemmeren iemands dagelijkse functioneren en zorgen vaak voor groot psychisch lijden. Niet alle depressies zijn hetzelfde, ze kunnen variëren van mild tot zeer ernstig. De term ‘depressie’ is eigenlijk een paraplu waaronder verschillende, gerelateerde symptomen geschaard worden. Soms gaat een depressie ‘vanzelf’ over, maar vaak ook niet. Professionele hulp en behandeling in de vorm van praten en/of pillen kunnen gewenst zijn. Ongeveer de helft van de mensen herstelt binnen drie maanden, een vijfde ervaart jarenlang klachten. Veel mensen herkennen de symptomen van een depressie niet, niet bij zichzelf en niet bij een ander. Daarom is het zo belangrijk om psychische problemen bespreekbaar te maken en uit de taboesfeer te halen.