Column Indisch Herinneringscentrum: 'Ook ik draag de geschiedenis van mijn Indische voorouders met me mee' - Diagnose Depressie
306
post-template-default,single,single-post,postid-306,single-format-standard,ajax_fade,page_not_loaded,,qode-title-hidden,qode_grid_1300,qode_popup_menu_push_text_right,footer_responsive_adv,hide_top_bar_on_mobile_header,qode-content-sidebar-responsive,columns-4,qode-theme-ver-10.1,wpb-js-composer js-comp-ver-5.0.1,vc_responsive
Sarah Dorweiler

Column Indisch Herinneringscentrum: ‘Ook ik draag de geschiedenis van mijn Indische voorouders met me mee’


In de nieuwsbrief van het Indisch Herinneringscentrum van augustus 2016 verscheen een column van Bregtje in de rubriek #ikgeefhetdoor. “Meer en meer kom ik erachter dat de oorzaken van de depressies in mijn Indische familie voor een deel ook liggen in de koloniale geschiedenis, en alles te maken hebben met gemengdbloedig zijn in een koloniale, Westers gedomineerde samenleving, onverwerkte (oorlogs)trauma’s en gedwongen migratie naar Nederland na de Indonesische onafhankelijkheid van de generaties boven mij.”

Voor onze rubriek Ik geef het door! geven we dit keer het woord aan freelance journalist Bregtje Knaap. Zij heeft een Indische vader en een Nederlandse moeder. Op haar zestiende ging ze op zoek naar haar Indische roots. Dat leidde ertoe dat ze Indonesische Talen & Culturen ging studeren aan de Universiteit Leiden. Eenmaal afgestudeerd, werkte zij geruime tijd bij het KITLV (Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde) in Leiden. Via diverse omzwervingen, belandde zij bij de vrouwentijdschriften. Ze werkt voor internationale titels als Glamour, Cosmopolitan, Vogue en CosmoGIRL! en schreef ook voor Indisch tijdschrift Moesson. Haar Indische achtergrond speelt een grote rol in het huidige project waar ze aan werkt: Diagnose Depressie, een documentaire waarin ze op zoek gaat naar hoe de klinische depressie die ze in 2014 kreeg, zich verhoudt met de geschiedenis van haar Indische voorouders.

Ik ben blij met mijn Indische afkomst
“Mijn Indische uiterlijk maakt dat ik me eigenlijk overal ter wereld thuis kan voelen. In Nederland ben ik gewoon Nederlands, in Indonesië en Thailand ziet iedereen dat ik deels Aziatisch ben. Zo werd ik in de kraton van Yogya door een hoogbejaarde abdi dalem griezelig goed herkend als een mix van West-Javaans, Sumatraans, Nederlands en een beetje Chinees. ‘Jaaaaa, Indo jij!’

Toen ik eens alleen over straat liep in Rome, vroegen toeristen me tot mijn verbazing de weg. Zo ook in Parijs. In Spanje kan ik prima voor een Spaanse doorgaan. En dankzij mijn Armeense betovergrootmoeder heb ik ook trekken uit het Midden-Oosten. Als kind ben ik weleens uitgescholden voor Turk (ik was woédend om uitgescholden te worden) en laatst werd me op een Marokkaanse bruiloft gevraagd of ik soms half was. Mijn uiterlijk maakt dat mensen overal wel iets van zichzelf in mij herkennen (nou ja… behalve dan misschien in Scandinavië) en ik me met hen kan verbinden. Dat vind ik mooi.

Dit jaar ga ik voor het eerst naar de Indiëherdenking bij het Indisch Monument in Den Haag. Vorig jaar heb ik in augustus de Melati besteld (ook voor mijn vader en broer) en gedragen. Het was voor het eerst dat ik echt heel bewust bij die oorlog heb stilgestaan. Het afgelopen jaar ben ik me meer en meer gaan realiseren dat ik óók de geschiedenis van mijn Indische grootouders en mijn vader – de dubbele oorlog, de gedwongen migratie naar Nederland en het hier een nieuw bestaan opbouwen – met me meedraag, en dat de dingen waar de eerste en tweede generatie mee geworsteld hebben mij indirect hebben gevormd.”

Indonesië: thuis en toch ook niet
“De allereerste keer dat ik in Indonesië was, was in de zomer van 1996. Ik was 19 en had net mijn eerste jaar Indonesische Talen & Culturen aan Universiteit Leiden erop zitten. Ik weet nog dat ik na een lange vlucht op Soekarno-Hatta in Jakarta landde, en op de luchthaven direct die tropische vochtige warmte in mijn kleren voelde kruipen. Voor het eerst voet zetten op de aarde daar, was voor mij een ontroerend moment. Ik voelde tranen achter mijn ogen prikken en een brok van emotie in mijn keel, maar begreep niet goed waarom. Dit was het land van de familie van mijn vader, dus ergens ook mijn land. En toch ook niet. Ik herkende gelaatstrekken en gebaren van mijn Indische familie in de mensen op straat. En toch ook niet. Alles daar was mij vreemd en onbekend, en toch ook niet.

Later, in 2011, ging ik voor de derde keer in mijn leven naar Indonesië. Zes lange weken op Bali. Ik was 34 en inmiddels moeder. Mijn zoontje werd die reis 2. Mijn vader, die zijn vroege jeugd in Djakarta doorbracht, was mee. Het was de allereerste keer dat hij terug was. Het was bijzonder om te zien hoe hij, bij het drinken van jonge klapper uit een kokosnoot, het eten van rambutan en salak, zich die smaken en geuren ineens weer van vroeger herinnerde. Gedurende onze reis en naarmate zijn huid steeds donkerder kleurde door de tropenzon, was het alsof hij ook veranderde. Zonder dat hij het zelf doorhad. Hij liep anders, bewoog anders. Hij leek, als hij op het strand uit de golven kwam lopen, ineens jonger. Geen zestiger meer, maar een jongen. Slank en energiek. Helemaal toen hij een keer lachend een kemboja-bloem achter zijn oor stak, net als de Balinezen. Het was alsof hij zich ontspande en eindelijk thuis was. Maar misschien is dat mijn inkleuring.

Toen hij zich op straat een flashy zonnebril had aangeschaft en een motor had gehuurd waarop hij op zijn dooie gemakje, natuurlijk zonder helm, rondreed door Ubud, kon hij zo doorgaan voor iemand uit Jakarta. We maakten motorritjes door de omgeving: mijn vader aan het stuur, ik achterop, mijn zoontje tussen ons ingeklemd – op de Indonesische manier. We waren thuis, en toch ook niet.

Ik weet nog dat ik tijdens die reis dacht: wat gek, mijn grootouders zijn in dit land geboren en opgegroeid, hoe kan het dat wij in Nederland wonen, zo ver weg, in zo’n compleet andere wereld. Hoe zou mijn leven zijn geweest en wie zou ik zijn geweest als ik hier was opgegroeid en niet in Nederland? Zou ik dezelfde zijn geweest, of anders?”

Diagnose Depressie
Mijn Indische oma overleed eind 2014. Gedurende haar leven had ze meerdere malen depressies, variërend van mild tot zeer ernstig. Net als al haar vijf zoons – mijn vader en ooms. Op de dag van haar begrafenis was ik er niet bij. Als oudste kleindochter had ik er natuurlijk moeten zijn. Maar ik kon het niet. Op dat moment zat ik zelf in een diepe depressie, en wilde ik niet dat de rest van mijn familie mij zo zou zien. Ik schaamde me te erg. Gelukkig gaat het nu weer goed met me, en zit ik in een hersteltraject. De schaamte ben ik ook voorbij. Sterker nog, ik werk momenteel aan een documentaire, waarin ik het verhaal van mijn depressie wil vertellen. En dat van mijn familie, die geteisterd wordt door deze aandoening. Een depressie is een verschrikking. Dat weet ik uit eigen ervaring. Het raakt niet alleen degene die de depressie heeft, maar ook zijn of haar omgeving. Eigenlijk raakt het ons allemaal. Daarom vind ik het belangrijk om mijn verhaal te vertellen. Ik ben momenteel veel aan het lezen, voor mijn film. Want uit gesprekken met mensen die ik ontmoet, kom ik er meer en meer achter dat de oorzaken van de depressies in mijn Indische familie voor een deel ook liggen in de koloniale geschiedenis, en alles te maken hebben met gemengdbloedig zijn in een koloniale, Westers gedomineerde samenleving, onverwerkte (oorlogs)trauma’s, en gedwongen migratie naar Nederland na de Indonesische onafhankelijkheid van de generaties boven mij: die van mijn grootouders en mijn vader. Ik vermoed dat dit voor meer Indische mensen, ook van de tweede en derde generatie die in grote lijnen een vergelijkbare geschiedenis als die van mij en mijn familie hebben, herkenbaar is, en zou dit onderwerp heel erg graag bespreekbaar willen maken.”

Lees het artikel in de nieuwsbrief van het Indisch Herinneringscentrum.